Column: Op weg naar de goede oplossingen

01-04-2020
752 keer bekeken 4 reacties

“In tijden van crises weten we elkaar goed te vinden”. Dat is een uitspraak die ik de afgelopen maanden diverse keren heb gehoord als het ging over interbestuurlijk samenwerken.

Wij hadden als studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen niet kunnen vermoeden dat we middenin zo’n crisis ons werk zouden moeten doen. Want de coronapandemie waarin we verzeild zijn geraakt, doet een ongekend beroep op alle overheidslagen in Nederland om de samenleving (inclusief de financiële huishouding) zo gezond mogelijk te houden. Plotseling beseft iedereen weer hoe belangrijk die overheid is. Ook die mensen en bedrijven die de overheid tot voor kort vooral lastig vonden, en traag, en bureaucratisch enzovoorts.

Bernard ter Haar

De pandemie eist nu alle aandacht en energie op, maar het is niet het enige vraagstuk waar de Nederlandse overheden mee geconfronteerd worden. Er zijn langer lopende uitdagingen, die soms wel als crisis worden betiteld, maar niet als zodanig bestuurlijk worden opgepakt! Daarin loopt de interbestuurlijke samenwerking dikwijls minder vlot. Daarom is de studiegroep aan het werk gezet, om te onderzoeken met welke middelen het interbestuurlijk functioneren kan verbeteren op de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd. Wij hebben die vraag opgepakt door concreet een aantal van die vraagstukken te benoemen en het overheidsfunctioneren in die vraagstukken tegen het licht te houden. Zo hebben wij gekeken naar de woningbouwopgave, de energietransitie en de ambulantisering van de geestelijke gezondheidszorg. Wij kwamen veel toewijding en energie tegen binnen alle lagen van het openbaar bestuur om aan deze vraagstukken te werken. Maar we kwamen ook veel verkokering tegen, een gebrek aan samenhangende visie en een tekort aan kennis en capaciteit om tot tijdige resultaten te komen. We hebben geconstateerd dat voor opgavegericht werken het belangrijk is om vooraf een aantal vragen van een helder antwoord te hebben voorzien: Wat wil je bereiken? Met wie ga je dat doen? Wie doet wat? En met welke instrumenten? Die vragenset is ons model. Daarmee kunnen we het interbestuurlijk functioneren toetsen en voorstellen tot verbetering doen. En dat brengt ons tot de komende fase van de studiegroep.

Doe mee

Problemen analyseren is één ding, problemen oplossen is een ander ding. In ons tussenrapport “Nederland heeft één overheid nodig” hebben we vooral onze analyses geschetst, maar voor ons eindrapport willen we zo concreet mogelijk handvatten aanreiken voor oplossingen voor die situaties waar het interbestuurlijk functioneren hapert. We beseffen dat dat lastig is. De lagen in het openbaar bestuur zijn erg gehecht aan hun eigenheid, hun zelfstandigheid en hun tradities. Ze vinden het moeilijk te erkennen dat ze zelf een beperkt overzicht hebben en in mogelijkheden tekortschieten om goede resultaten te boeken. Behalve dan als het om financiële mogelijkheden gaat, dus is er een constante roep om meer geld. Wij hebben ons tussenrapport bestempeld als discussiedocument. Wij gaan als studiegroep niet alleen zelf ons best doen om creatieve beleidsopties te verzinnen, maar willen met dit rapport ook anderen uitdagen om met ons mee te denken. Eén overheid is nodig, juist nu! Wat is daarvoor nodig? Doe ons één tip! Veel dank alvast.

Afbeeldingen

4  reacties

Jop Fackeldey 09-04-20 om 8:58

Wie de schoen past, weet waar het wringt (nu nog aantrekken)

“Als we maar willen dan kan het best”, waarbij de vooronderstelling is dan niet willen erger is dan niet kunnen. Om vervolgens te constateren dat het niet kan en dat dat aan anderen ligt of aan de omstandigheden. Zo wordt een samenwerkingsverband nog wel eens een verzameling meestribbelende bestuurders. We kennen ze allemaal, die  energievretende, trage, inhoudsarme bijeenkomsten waarbij bestuurders zich beperken tot het voorlezen van al dan niet begrepen annotaties en zich ondertussen voorbereidend op de volgende afspraak, die hopelijk wel leuk is.

Zo moet het dus niet. Maar hoe dan wel. Dat is denk ik één van de achterliggende vragen waar de studiegroep Interbestuurlijke en financiële verhoudingen. Vandaag is de tussenrapportage uitgekomen. En die geeft de(ze) burger moed. Want eerlijk is eerlijk, ok – of misschien juist – die interbestuurlijke samenwerking kan – hoe zal ik het netjes zeggen – wel wat krachtiger.

Ik ben blij dat in de tussenrapportage het regionale speelveld veel aandacht krijgt, inclusief de onderkenning dat “beleid, sturing en instrumentarium nog maar weinig op de regio gericht zijn”. Terwijl die regio veelal de plaats is waar de veelal sectoraal georganiseerde rijks-beleidsontwikkeling integraal op- en aangepakt moet worden. Er staan mooie casussen van beschreven.

En dan is er het geld. Soms de reden voor samenwerking – of misschien wel vaak – en dan zijn alle partners het er over eens, daar is te weinig van. Maar ja, natuurlijk vind iedereen dat de ander dat probleem op zou moeten lossen. Of de sturing. Van wie is het doel ? En wie gaat er dan over de weg daar naar toe. In alle convenanten, bestuursovereenkomsten, intentieverklaringen, Memo’s Of Understanding (hoe verzin je het) staan daar prachtig tot op de laatste juridische letter uitonderhandelde bezweringsformules over opgenomen. Dat kan beter. En daar gaat deze studie bij helpen. Want hij komt op het goede moment. Een paar aanwijzingen. 1) Never waste a good crisis. Hoe ingrijpend de corona-pandemie ook is, de motivatie om samen dwars door alle overheidslagen heen te doen wat er moet gebeuren is indrukwekkend. Doelgericht, betrokken en samen. Ik zou als ik de studiegroep was die evaluatie toevoegen aan de casusonderzoeken. 2) Er worden stappen gezet om ook die regionale samenwerking anders vorm te geven. Woondeals, impulsgelden woningbouw, regiodeals… we durven te experimenteren. Discussies over een Regionale Omgevingsagenda of over Regionale Investeringsagenda’s worden gevoerd. 3) De RES als bestuurlijke praktijkproef moet zich nog bewijzen schrijft de adviesgroep. Let op, dat bewijs komt er aan !

Maar de crux is dan wel dat we door durven proberen. Dat we een duurzame manier vinden om die ene overheid te zijn, in de verscheidenheid van overheidslagen en schaalniveau’s. Thorbecke 2.0. Dat gaat lukken, maar toch echt alleen als er voldoende bestuurders zijn om die schoen mee aan te trekken. Dus ondersteun ik graag de oproep van Bernard ter Haar: Doe Mee !

Jop Fackeldey

Gedeputeerde in Flevoland

Hans de Jongh 09-04-20 om 10:03

De column legt de vinger precies op de gevoelige plek waar gesteld wordt  ...'de lagen in het openbaar bestuur zijn erg gehecht aan hun eigenheid, hun zelfstandigheid en hun tradities. ze vinden het moeilijk te erkennen dat ze zelf een beperkt overzicht hebben en in mogelijkheden tekortschietenom goede resultaten te boeken.'... Drie bestuurslagen is niet meer van deze tijd. Door globalisering, dynamiek en omvang in de ontwikkelingen (of het nu technologie, klimaat of verplaatsingsgedrag is), is een ander schaalniveau van besturen nodig. En daarmee een andere bestuurlijke indeling.
Een indeling met grotere eenheden (iets tussen provincies en gemeenten in, waarbij zowel de provincies als de gemeenten opgeheven worden) maakt het mogelijk om met minder bestuurders te volstaan. Hierdoor is het mogelijk om scherper te selecteren in die bestuurders, wat bijdraagt aan de kwaliteit. Met grotere eenheden kun je ook de ambtelijke capaciteit meer concentreren met positieve effecten op kwaliteit en effectiviteit.

Wat we daarvoor nodig hebben is (huidige) bestuurders met visie én lef. Zij moeten over hun eigen schaduw dúrven en wíllen stappen.

Bernard ter Haar 09-04-20 om 11:58

Dank jullie wel, Jop en Hans, voor jullie aanmoedigende reacties, die de aftrap geven van ons discussieplatform!

Bellen met Bernard 24-04-20 om 13:44

Elke week belt de redactie met Bernard ter Haar om de reacties op de column door te nemen. We tekenden op bij de voorzitter:

SAMENWERKEN: GEWENST, MAAR TOCH OOK LASTIG

In reactie op mijn eerste column ‘op jacht naar goede oplossingen’ waarschuwt Jop Fackeldey voor het ‘samenwerken om het samenwerken.’ Dat levert niets op: ‘Zo wordt een samenwerkingsverband nog wel eens een verzameling meestribbelende bestuurders. We kennen ze allemaal, die energievretende, trage, inhoudsarme bijeenkomsten waarbij bestuurders zich beperken tot het voorlezen van al dan niet begrepen annotaties en zich ondertussen voorbereidend op de volgende afspraak, die hopelijk wel leuk is.’ 

Ten tweede constateert Fackeldey dat beschikbaar budget belangrijk is: ‘En dan is er het geld. Soms de reden voor samenwerking – of misschien wel vaak – en dan zijn alle partners het er over eens, daar is te weinig van.’ Dat ontslaat ons niet van de plicht om te ‘blijven proberen’. Thorbecke 2.0, aldus Fackeldey. 

Hans de Jongh stelt dat mijn bijdrage de vinger precies op de zere plek legt. Hij is van mening dat ‘de lagen in het openbaar bestuur erg gehecht zijn aan hun eigenheid, hun zelfstandigheid en hun tradities.’ Ook dat maakt vernieuwend samenwerken en werken aan nieuwe oplossingen misschien wat lastig, zo lijkt hij te suggereren. 

Wat neem ik uit de bijdragen mee? 

  • Allereerst dat we voor het concept ‘één overheid’ ook echt een goede invulling moeten zien te vinden. Want in mijn overtuiging betekent ‘één overheid’ juist niet dat er maar een overheidslaag overblijft. Verschil in schaal is en blijft nodig. Het gaat er in mijn ogen nu juist om, om zodanig samen te werken, dat burger, markt en maatschappelijk middenveld het ‘verschil’ in die overheidslagen niet (meer) opvalt. 
  • Tegelijkertijd, en dat is best een grote zorg, die ik met Hans de Jongh deel – moet die roep om ‘eigenheid die behouden moet blijven’ niet verzanden in niet willen veranderen. Waarbij ‘eigenheid’ als we niet oppassen als blokkade gaat fungeren om daadwerkelijk met elkaar samen te werken. Een veelheid aan bestuurders die veel belang hechten aan hun eigenheid produceert misschien wel veel overleg en papier, maar komt niet toe aan een slagvaardige uitvoering van de opgaven die voor ons liggen.
  • Samen op jacht gaan naar nieuwe oplossingen, vergt dus zeker een cultuurverandering. Misschien ook een structuurverandering? Een Thorbecke 2.0, als ik invul wat Fackeldey daar wellicht onder verstaat?

Cookie-instellingen